Cornelis Berghuis (1791-1804)
Deze organist, in 1762 in Kampen geboren als zoon van Herman Berghuis en Jacobje Geurts, was vóór zijn aanstelling bij de Bovenkerk, organist in lJsselstein. Zijn eerste aanstelling had hij al op 17-jarige leeftijd gekregen in de Oude- of Mariakerk in Apeldoorn. Hij kreeg daar een "fortabel tractement" van de vorstelijke schenkers, reden waarom hij ook moest assisteren bij de concerten op 't Loo. Berghuis was lidmaat van de Hervormde Kerk, zoals de Gereformeerde Kerk inmiddels genoemd werd. Bovendien was hij lid van de Kamper vrijmetselaarsloge 'Le Profond Silence'. Hij trouwde op 17 december 1793 met Caatje van Groningen. Te Kampen kreeg hij zes kinderen. Behalve organist was hij - evenals zijn voorgangers - klokkenist, stadsmuziekmeester en muziekleraar. Berghuis was patriottisch gezind. Niet voor niets speelde hij in 1795 na de intocht van de Fransen met veel genoegen "de Marseillaansche marsch" op het Kamper carillon. Hij werd in de jaren hierna tot twee maal toe in de municipaliteit gekozen. Wellicht in verband met de hierdoor ontstane afgunst kreeg hij in 1797 een officiële berisping, zogenaamd omdat hij niet vaak genoeg als solist optrad met het stadsorkest - in welke kring in 1796 al eens ruzie was ontstaan over het eigendom van de instrumenten, de rnuziek en dergelijke van het orkest. In 1798 stuurde hij een request naar de "municipaliteit" om de hem in 1797 overkomen "bejegeningen" ongedaan te maken, maar het stadsbestuur gaf hem de raad "door de edele toonkunst harmonie in aller harten aan te kweken". In 1800 kreeg de organist alsnog eerherstel en werd de berisping uit 1797 formeel ingetrokken. Hierbij werd zelfs nadrukkelijk bepaald dat "in de uitoefening van de vreije kunsten, en voornamelijk in de Toonkunst" dwang uit den boze was.
Op een bijeenkomst der Latijnse school in 1802 zong Berghuis samen met zijn vrouw een duet. Toen hij in 1804 naar Deventer dreigde te vertrekken, bood de magistraat aan, zijn salaris te verhogen van 400 gulden naar 600 gulden. Hij vertrok niettemin in oktober van hetzelfde jaar met attestatie naar die stad, waar hij als organist en klokkenist 650 gulden kon verdienen. Berghuis was op dat moment at enige jaren werkzaam in Deventer als "Orchestdirecteur" van "Unis par les Sons de la Musique" (I 793-1808). In 1807 verliet hij Deventer weer in verband met zijn benoeming tot organist te Alkmaar. Hier overleed hij in 1816.

