Start > Organisten > Cornelis Jansen (1618-1664)

Cornelis Jansen (1618-1664)

Deze organist, mogelijk de zoon van klokkenist of "beyerman", Johan Cornelissen, had een drieledige functie: organist, klokkenspeler en bazuinspeler. Voor zijn organistschap ontving hij in 1632 140 gulden. Zijn totale traktement werd in 1634 verhoogd van 250 naar 300 gulden per jaar omdat hij met twee anderen drie maal per week een half uur een "blaasconcert" moest geven vanaf de stadhuistoren. Jansen speelde daarbij bazuin, de andere twee "cinke" (in dit geval vermoedelijk een soort trompet) en schalmei. Uit de beschikbare gegevens blijkt hoe zwaar en gecompliceerd een organistenbetrekking in die tijd was. Van stadswege werd veel gedaan om het publiek te vermaken met orgel- en klokkenspel en met bazuingeschal. Overigens was de kerkenraad niet altijd tevreden over de levenswandel van de organist. Van de vergadering van 12 januari 1635 werd in de notulen genoteerd:

"Is ingebracht dat d'organist van de bovenkerck niet alleen uit het gehoor van gods woordt blijft, maer oock dat hij taback drinckt ende de kerck met stanck vanden taback vervult; is goet gevonden dat d'Achtb. Mag. hem daerover gelieve te censureren".

Tijdens het organistschap van Cornelis Jansen werd begonnen met de renovatie van het orgel. In 1664, na 46 jaar, werd Cornelis Jansen als organist van de Bovenkerk vervangen door Hendrik van Benthem "de Jonge". Blijkbaar werd de oude organist hierna een soort pensioen gegund, want over de jaren 1664-1672 werd hem nog salaris uitbetaald: over 1664 bedroeg dat 225 gulden en over de jaren 1665-1672 200 gulden per jaar.