Johannes Kempher (1679-1691)
Deze in Hoorn geboren organist kwam in 1677 vanuit Monnikendam naar Kampen bij zijn benoeming tot organist van de Broeder- en de Buitenkerk. In 1679 volgde hij Van Steenwijck op als organist van de Bovenkerk. Zijn tractement liep tijdens zijn organistschap op van 350 tot 500 gulden per jaar. In September 1678 werden hij en zijn vrouw, Allegunda Bürghgraeff ingeschreven als lidmaten van de Gereformeerde kerk. Vier maanden later werd hij ook burger van de stad Kampen. In 1688 huwde hij voor de tweede maal, nu met Pieternella Stellingwerf uit Blokzijl. Kempher fungeerde tevens als klokkenist. In 1684 kreeg hij het aanbod organist in Hoorn te worden. Door verhoging van zijn salaris kon hij nog enige tijd voor Kampen behouden blijven. In 1691 vertrok hij echter toch in verband met zijn benoeming in Alkmaar, waar hij in 1687 al eens eerder als keurmeester voor het klokkenspel was opgetreden. Hij kreeg bij zijn sollicitatie aldaar een zeer goede beoordeling. Hij wist, zo meldde men "den orgel meesterlijck te handelen met de meeste genoegen voor het gemeen", en was bovendien "oock van goede comportement (gedrag)". Verder werd aangevoerd dat Kempher als klokkenist het voordeel had dat hij een zwaar klokkenspel van wel 50.000 pond gewend was (bedoeld werd het klokkenspel van de Nieuwe Toren te Kampen) en dat hij "dingen op de klocken doet die hem niemant nae sal doen, verder dat hij alles voor de vuijst speelt". Tot zijn overlijden in 1701 bleef hij organist van de St.-Laurenskerk aldaar. Over zijn overlijden werd geschreven dat hij in dronkenschap gestorven was en in die toestand op het kleine orgel was gevonden. Zijn zoon Gerard Kempher werd rector van de Latijnse school te Alkmaar. Tijdens het organistschap van Kempher sr. in Kampen werd het orgel verplaatst van de noordelijke muur naar de torenwand.

