|










|
| Over het oudste orgel
is het volgende bekend:
|
|
Orgel
vóór 1460
Of
er vóór 1400 al een orgel in de Bovenkerk stond weten we niet
precies. Uit het feit dat in 1403 Nicolaus Koleman
als "die orghaniste" in het Kamper burgerboek staat
ingeschreven kan echter worden opgemaakt dat er toen wel een
orgel aanwezig was. Veel meer dan een positief zal dit orgel
echter niet geweest zijn.
In
1416, bij de oprichting van de Memorie van het Heilige Kruis,
werd bepaald dat de plechtigheden op hoogtijdagen luister zou
worden bijgezet met zang en orgelspel. Deze passage hoeft echter
nog niet te wijzen op de aanwezigheid van een groter orgel.
Omstreeks
1460 is er in Kampen sprake van een "orghelmackershof",
waarmee een orgelmakerij bedoeld wordt. Uit andere bron weten we
dat in elk geval van 1456 tot 1480 "die orgelmaker",
meester Jacob van Bilsteyn, met zijn vrouw Alijt
in de Nieuwstraat woonde. Gezien de duur van zijn verblijf in
Kampen en gezien het feit dat hij ook in de omgeving van Kampen
werkzaam was (Zwolle, Hasselt, Hattem en Kuinre), lijkt het niet
gewaagd te veronderstellen dat deze landelijk bekende
orgelbouwer eveneens in Kampen aan een of meer orgels heeft
gewerkt. In verband met hetgeen er van zijn hand bekend is,
lijkt de tijd tussen circa 1462 en circa 1478 als de meest
waarschijnlijke voor eventuele werkzaamheden aan orgels in de
Bovenkerk en of de Buitenkerk in aanmerking te komen. Harde
bewijzen zijn hier echter niet voor.
|
Klein
en groot orgel na 1460
Na 1460 komen er steeds vaker berichten over dienstdoende
organisten (meervoud), hetgeen het vermoeden rechtvaardigt dat
er toen in de St. Nicolaaskerk behalve een klein orgel ook een
groter werk aanwezig was. Ook het feit dat de benoemingen van de
organisten een veel meer officieel karakter kregen en de
contracten voor een periode van drie jaar werden aangegaan wijst
in deze richting.
|
|
Nieuwbouw
door Johan van Kovelen (1524)
Berust het voorgaande nog op vermoedens, het staat vast dat
de Bovenkerk tussen 1520 en 1523 in het bezit kwam van een groot
orgel. Op 14 juni 1524 maakten twee provisoren en een
kerkmeester een overeenkomst met "meester Johan van
Kovelens" (of J. van Covelen) over de betaling
"vant groete orgelwerck twellick meyster Johan in derselver
kercke gemaeckt" had. Het bestek van dit instrument is
helaas niet overgeleverd.
Alleen
door vergelijking met ander werk van deze orgelmaker, en door
kennis te nemen van de veranderingen die Casper Noster
in 1570 aan het orgel heeft aangebracht, is er over het
oorspronkelijke instrument iets te zeggen.
In
1524 zou dan in het orgel aanwezig kunnen zijn geweest:
 |
de
"principael-laede int groote werck [...] (met) sufflet"
 |
de
"laede des posttyffs boven int voirss. werck" met
"drie Registeren toe weten: [... ] die Holpyp van ses
voeten [...] die cleyne quindeen
[...] die trompetten van ses
voeten"
 |
"de
laede vant postyff an de rugge" met: "die holpijp
van dree voeten [...] die
schalmey". Anthoni Ridler, organist in
dienst van de hertog van Gelre, noemde het in 1523 een
"grott werck [ ...] van 24 foetten".
|
| |
Waarschijnlijk
was het een orgel met drie klavieren en een aangehangen pedaal,
met een klavieromvang als die van het orgel in de Grote Kerk in
Zwolle.
Van
1527 tot 1542 komen er uitgavenposten voor in de rekeningen van
de St.-Nicolaaskerk betreffende werkzaamheden door Johan van
Kovelens, zijn meesterknecht Henrick Nyhoff en een zekere
"meister Hans".
Waar
het grote orgel in deze tijd stond weten we niet precies. Er
bestaat een rekening uit 1534, waaruit blijkt dat het grote
orgel "an dye noert syt" stond, tegen de noordelijke
muur dus. In 1547 en 1548 werd er een reparatie aan het orgel
uitgevoerd door "Meyster Johan van Emmerick" (evenals
de eerder genoemde "meister Hans" mogelijk dezelfde
als Hans Graurock die van 1535 tot 1547 in Zutphen
woonde"). Het lijkt er op, dat het instrument bij deze
gelegenheid verplaatst werd, gelet op de hoge uitgaven voor de
smid, de timmerman, de metselaar en de kistenmaker, en gezien de
gebruikte materialen, zoals zand, steen, kalk en planken.
Bovendien werden bij deze restauratie ook de luiken vernieuwd.
Zowel aan het grote als aan het kleine orgel werd ook in de
jaren hierna nog gewerkt. In 1560 bijvoorbeeld werkte
"meester Johan orgelmaeker en koster tho Heerde" aan
het grote orgel. Zes jaar later wordt hij genoemd bij een
reparatie aan het kleine orgel.
In
1569 werd er een steiger gebouwd "ant orgel". Uit het
feit dat men zich daarbij ook bezighield met "dat gat in
den toren dar men int orgel get", blijkt dat het orgel toen
hoog tegen de muur aan de westzijde van de kerk stond en dat men
via de torentrap door een opening in de torenmuur bij het orgel
kon komen. Het lijkt waarschijnlijk dat dat gat er al was en dat
het orgel sinds de verplaatsing van 1547- 1548 al op deze plaats
stond.
|
|
Wijzigingen
door Casper Noster (1570)
Volgens een contract van 9 januari 1570 kreeg Casper Noster
opdracht het orgel te repareren, restaureren, verbeteren en uit
te breiden. Gelukkig is dit contract bewaard gebleven, zodat
precies bekend is welke werkzaamheden er toen zijn verricht. De
volgende punten zijn hier van belang:
|
| 1. |
De
laden moesten behouden blijven en moesten alle drie worden
gerepareerd.
|
| 2. |
Er
moest een nieuw pedaal worden gemaakt.
|
| 3. |
Van
de registers zouden de volgende stemmen worden veranderd:
|
|
Bovenwerk:
Holpijp 6' moest Quintadeen 12' worden (uiteindelijk kwam er
echter een Quintadeen 6'); Quintadeen (klein) zou plaats maken
voor Holfluit 3' en Trompet 6' voor Trompet 12'.
Rugwerk: Holpijp 3' moest Holpijp 6' worden en Schatmey,
Kromhoorn 6'. Het zou worden uitgebreid met Trompet 6' (half) en
Cyncken D.
Grote werk: Sufflet B diende te worden vervangen door
Sufflet B en D.
|
4.
|
Er
zouden zes nieuwe blaasbalgen moeten komen, even groot als de
onderste drie, zodat er in totaal negen blaasbalgen zouden zijn.
Verder zouden Tremulanten, slaande of bevende, en Nachtegalen
gemaakt worden. De oude ijzeren steunveren en ander draad
moesten worden vervangen en van messing worden gemaakt.
|
5.
|
De
aanneemsom bedroeg 225 daalders (met een waarde van 30 Brabantse
stuivers per stuk). Noster zou tien jaar garantie geven op de
blaasbalgen. In verband hiermee zou 25 daalder pas later worden
uitbetaald. Noster mocht de oude blaasbalgen houden. De boven
het bestek geleverde nieuwe halve Trompet 6' werd verrekend met
de Quintadeen 6' die in de plaats kwam van de aanvankelijk
bestelde Quintadeen 12'. Tot slot werd de orgelmaker gevraagd
zijn eerder gedane belofte gestand te doen en het door zijn
vader gemaakte orgel in de kerk van het Minderbroederklooster na
te zien.
|
|
Op
17 September 1570 werd het werk gekeurd door meester Claes
van Wieringen, organist in Haarlem, meester Peter,
organist in Utrecht en meester Johan Morleth,
organist in Zutphen. Bij de keuring, waarbij ook de Kamper
organisten en een zoon van een van de gastorganisten aanwezig
waren, werden de keurmeesters, zoals blijkt uit de bewaard
gebleven rekeningen, goed onthaald. Op 9 oktober werd een stuk
opgemaakt, waarin de stadsregering te kennen gaf dat zij akkoord
ging met het door Casper Noster geleverde werk.
In
1571 betaalde de stad de laatste termijn van 25 daalder aan
Casper Noster, en nog 4 daalder extra voor een reparatie aan de
blaasbalgen, die door ratten waren aangevreten (een euvel
overigens dat zich vaker voordeed; ook in 1562 moesten de
blaasbalgen om die reden al eens worden gerepareerd). Op 23
november van hetzelfde jaar werd een nieuwe overeenkomst met
Noster gesloten, waarin werd bepaald dat hij voor een periode
van zes jaar het orgel zou onderhouden, tegen een vergoeding van
één groot Vlaams pond per jaar.
|
|
Reparaties
in 1572 en 1574
Tijdens
de beschieting van de stad in 1572 door Van den Berg werd ook de
Bovenkerk getroffen. Het grote orgel werd beschadigd. In 1573
werd de bewuste kogel, ter herinnering, bij het orgel
opgehangen. De haak waaraan de koget hing is nog steeds
aanwezig. In 1572 kwam "meester Jan Orgelmaker"
het orgel nazien. In 1574 repareerde meester Jan Morleth
het grote orgel. De totale onkosten bedroegen ruim 46
herenponden.
In
de tussentijd hadden de Kamper organisten het kleine orgel
gerepareerd, iets dat ze in de jaren hierna steeds belangeloos
zouden blijven doen. Dit kleine orgel moet twee klavieren hebben
gehad, want er is sprake van "wyntladen" die gerepareerd
werden. In 1571 maakte men nog "een loeden wateruaetgen opt
kleyne orgel", wat betekent dat er op dit orgel ook een
Nachtegaal aanwezig was. Omdat er gesproken wordt over "de
panne boven dat cleyne orgel", moet er een afdak boven het
instrument bevestigd zijn geweest. Vermoedelijk stond het kleine
orgel in de kooromgang en wel boven het Lazarus- en Maria
Magdalena-altaar. In 1573 kwam er een biechtstoel "ondert
olde orgel": waarschijnlijk was het genoemde altaar tijdens
de bezetting door Graaf Willem van den Berg in 1572 weggehaald
en nooit meer teruggekomen.
Wanneer het kleine orgel precies is
verwijderd is niet bekend. In 1580 werd een schriftplaats
(bijbeltekst) "onder 't warck van 't kleyne orgel"
aangebracht. Zodat het in 1580 nog aanwezig was. Mogelijk hangt
het verdwijnen van het kleine orgel samen met de reformatie,
toen, zoals hieronder wordt beschreven, het zijn functie tijdens
de eredienst verloor. In het archief lezen we echter nergens dat
het kleine orgel werd afgebroken. In ieder geval werd vanaf 1581
bij reparaties aan het grote orgel niet langer gesproken van het
"groete orgel", zoals tot en met 1574 nog het geval
was, maar gewoon van "het" orgel, zodat het voor de
hand ligt dat het kleine orgel toen al niet meer in gebruik was.
Het
kleine orgel werd vooral gebruikt voor de liturgische
begeleiding, zoals onder andere is aangegeven in de
benoemingsbrief van de organist Willem Andriesz
van 4 februari 1565.
|
|
Reparatie
door Cornelis en Michael Slegel (1581)
In
1581 gingen de Kamper organisten, meester Willem
en meester Jan, naar Zwolle "omme de twe
orgelmakers anthoseggen datse hyer solden koemen omme dat
orgell tho vysytiren". De bedoelde orgelmakers, Cornelis
en Michael Slegel, leden uit een bekend geslacht van
orgelbouwers, waren eerder in Kampen geweest.
De
gebroeders Slegel namen de opdracht aan en konden, nadat er een
steiger was gebouwd, aan de slag. Uit de rekeningen kan worden
opgemaakt dat het voornamelijk een reparatie aan de blaasbalgen
betrof. Deze werden naar beneden gehaald en gerepareerd. Toch
zal er nog wel meer aan de hand zijn geweest, want er werd ook
koperdraad gebruikt evenals 13 pond lood voor de pijpen.
Bijna
een halve eeuw na de reparatie van 1581 onderging het orgel een
grote restauratie en werd het zelfs enige tijd buiten dienst
gesteld. Het kerkvolk moest tijdens de reparatie genoegen nemen
met bijbellezingen.
|
|
Onderhoud
door Johan Morleth (1626-1647)
Op
29 april 1626 werd een contract opgemaakt met Johan
Morleth (de tweede; ook zijn grootvader, organist in
Zutphen en zijn zoon droegen deze naam) voor een grondige
revisie van het orgel in de Bovenkerk. Helaas is dit contract
niet bewaard gebleven. Uit de rekeningen kan echter wel worden
opgemaakt wat deze revisie gekost heeft: in totaal werd voor
bijna 1780 gulden aan onkosten en aanneemsom uitgegeven. Johan
Morleth ontving 1400 gulden. Hij werkte met twee knechten
gedurende veertig weken aan het orgel. Voor dit bedrag kon heel
wat worden gedaan, maar het is niet bekend of er nog
veranderingen aan het instrument zijn aangebracht. Zo valt uit
de rekeningen niet op te maken of er nog nieuwe kasten zijn
gemaakt. Na de revisie werd het orgel gekeurd door Lucas
van Lenninck en Arent van Benthem, de
organisten van Deventer en Zutphen.
In
1630 werd 100 gulden uitbetaald aan Johan Morleth,
'den jongen organir’ (de jonge, dus Jan Morleth de derde),
"wegen het onderholden des Orgels". In 1634 werd het
onderhoud van de Kamper orgels aanbesteed.
Blijkbaar werd het werk opnieuw gegund aan Johan Morleth,
want tot en met 1647 kreeg hij 72 gulden per jaar voor
'repareren, corrigeren, stellen" der respectieve orgels.
Soms worden drie, soms ook vier orgels genoemd.
|
 |
| Bovenwerk
met de Fluit 4' en Gemshoorn 2' waarschijnlijk gemaakt door
Morleth |
|
Onderhoud
door Gerrit Jansz. Kevelham (1652)
In 1651 werd er een grotere reparatie en/of onderhoudswerk aan
de orgels in Kampen verricht door de orgelmaker meester Gerrit
Jansz. Kevelham. De kosten bedroegen 296 gulden. In 1652
werd het onderhoud aan de orgels in Kampen opnieuw aanbesteed
aan Johan Morleth, deze keer voor "12 pont groot" per
jaar. Vijf "pont" daarvan waren bestemd voor het orgel
in de Bovenkerk. |
|
- Uit 'Orgels en organisten in Kampen' -
W.D. van der Kleij en W.H. Zwart (1995). Met toestemming van
uitgeverij IJsselacademie uit Kampen overgenomen. Het boek
is nog te koop o.a. via hun website: www.ijsselacademie.nl.
|
|