| In de 19de eeuw vonden de volgende
aanpassingen en werkzaamheden plaats:
|
|
Herstel
door Van Gruisen (1817)
In
1817 waren de orgels in zowel de Broeder- als de Bovenkerk aan reparatie
toe. Op 22 oktober dienden orgelmaker A. van Gruisen te
Leeuwarden en de organist van de Bovenkerk J.H. van der Dussen een plan in
tot herstel en reparatie van de orgels. De kosten hiervan zouden f
1.800,00 gaan bedragen. Ook de orgelmaker A. Meere te Utrecht diende een
dergelijk plan in, maar hij werd gepasseerd.
Op 12 november vertrok Van
der Dussen met een ondertekend contract naar Zwolle om een handtekening te
halen van Van Gruisen die daar toentertijd werkzaam was.
In 1818 begon Van Gruisen aan het orgel in de Bovenkerk. Hij haalde
het instrument uit elkaar, maakte het schoon en belegde de frontpijpen met
nieuwe foeliebladen. Hij bracht, kortom, het gehele orgel weer in goede
staat. Maar daar bleef het niet bij. Uit latere bron blijkt dat Van
Gruisen in deze tijd ook een Carillon aanbracht.
Volgens
dr. M.A. Vente in het rapport van de orgelcommissie in 1967, hebben er in
het eerste kwart van de negentiende eeuw enkele registerwijzigingen plaats
gevonden. Vente baseerde zich daarbij op het pijpwerk, dat hij overigens
van zeer goede kwaliteit vond en niet op archiefmateriaal. Vanuit de
archieven kunnen Ventes opvattingen niet altijd onderbouwd worden. De
volgende veranderingen werden zijns inziens aangebracht:
|
|
-
Omstreeks 1817 bracht J. C. Scheuer een Trompet 8' op het Rugwerk
aan (het is niet duidelijk of er nog een vrije sleep was of dat er een
Siffiet I' werd geofferd).
-
A. van Gruisen breidde vermoedelijk het Borstwerk uit met de
registers Salicionaal 8' vanaf G; Fluittravers 8' vanaf cl; Principaal 4'
en Flageolet 1'.
-
Verder werden de volgende registers vervangen:
Hoofdwerk:
Tertiaan 2 sterk werd Gemshoorn 2';
Bovenwerk:
Scherp 3 sterk werd Carillon 3 sterk discant (zie ook noot 70);
Rugwerk:
Sexquialter 3 sterk werd Bourdon 16' vanaf G.
|
|
Onderhoud
door Van Gruisen (1824-1839)
Van
1824 tot 1839 had de firma A. van Gruisen en Zn. te Leeuwarden voor f
100,- per jaar het onderhoud en het stemwerk van de orgels in de Boven- en
Broederkerk.
|
|
Onderhoud
door Naber en Quelhorst (1839-1847)
Van
1839 tot 1847 kwam het onderhoud en het stemmen aan de orgelmakers C.EA.
Naber en G.WH. Quelhorst, compagnons uit Deventer, eveneens voor f 100,-
per jaar.
|
|
In
een schrijven gedateerd 12 maart 1851 was het oordeel van organist J.H.
van der Dussen over Van Gruisen gunstiger dan dat over Naber; hij stelde
dat de laatste "veel minder dan gene, behoorlijk tijd en vlijt aan
het werk besteedde" .
Helaas
kan niet exact worden vastgesteld hoe het orgel er rond 1850 uitzag. Ook
uit de dispositieverzameling van G.H. Broekhuysen, die ongeveer uit 1850
stamt, blijkt niet wat er in die tijd in het orgel aanwezig was omdat de
samensteller alleen doorgaf wat in de Boekzaal van 1790 was afgedrukt.
|
|
Van
der Dussen stelde in 1853 vast dat het orgel nog goed was, maar dat het,
ondanks zijn eigen zorg voor het instrument, toch een grote beurt moest
hebben. Vooral de blaasbalgen waren zijns inziens aan reparatie toe, waar
deze "door derzelver altijd ongunstige ligging (in den toren, waar
nimmer eenige zonnewarmte kan doordringen) door vocht en stof veel te
verduren hebben" .
|
 |
Schilderij interieur
Bovenkerk van Johan Baptist Tor van Elven (1805-1889) |
|
Onderhoud
door Scheuer (1855)
Ter
gelegenheid van het 50-jarig jubileum van de organist van J.H. van der
Dussen werd de Zwolse orgelmakers Gebr. Scheuer verzocht het orgel in de
Bovenkerk te komen nazien. Zij rekenden hiervoor f 46,- en verzochten
tevens voor stemmen en onderhoud in aanmerking te mogen komen. Op het
tongwerkblok van de Dulciaan 8' op het Borstwerk staat: "Gebr.
Scheuer 6 juli 1855".
|
|
Onderhoud
en stemmen door Van Dijk (1859-1894)
Op
15 januari 1859 overleed J.H. van der Dussen, organist, klokkenist en
muziekdirecteur, op 76-jarige teeftijd. Hij werd opgevolgd door Zwier van
Dijk, orgelmaker en dilettant-organist uit Kamperveen.
Van
Dijk was bij zijn benoeming overigens geen onbekende in Kampen. In 1847
had hij het orgel van de Doopsgezinde Kerk gerepareerd en in 1849 dat van
de Broederkerk. In het laatstgenoemde jaar verkreeg hij tevens het
onderhoud en het stemmen van de orgels in Bovenkerk en Broederkerk.
|
|
In
1860 meldde Van Dijk aan de kerkvoogdij dat door de werkzaamheden aan de
Bovenkerk in 1853, waarbij er kalk en puin naar beneden was gevallen, het
orgel vervuild was geraakt. Er werd, wellicht naar aanleiding van Van
Dijks klachten, een plan gemaakt en aanvaard om het orgel in de Bovenkerk
aan een revisie te onderwerpen. Nadat Van Dijk hieraan enige tijd had
gewerkt, werd in 1861 een beroep gedaan op Johan Bastiaans, organist van
de St.-Bavo te Haarlem, om het orgel te komen keuren en verslag uit te
brengen. Bastiaans verrichtte de keuring voor f 100,- en oordeelde
positief over het werk van Van Dijk.
In
zijn brief van 25 november 1861 schreef Bastiaans dat het werk en de
aanpassingen van Van Dijk in het geheel genomen goed en doelmatig waren en
dat de nieuwe registers zeer goed en accuraat bewerkt en geintoneerd
waren. Wel moest zijns inziens nog een aantal grotere en kleinere gebreken
worden weggenomen:
|
|
1.
De doorspraak in de lade van het Bovenwerk, de bijspraak in de Principaal
16', de drie bovenste tonen en de te zachte intonatie van de laagste toon
C.
2.
Bijspraak of overspraak in de Holpijp 8', het tweede octaaf en enige
middentonen in de Bourdon 16'.
3.
De ongelijkheid in de intonatie van sommige tonen van deze 16 en 8 voets
registers.
4.
De te zwakke toon van de Trompetten, vooral van de Trompet 16'.
5.
De omstandigheid dat in de pijpopening van de open metalen pijpen
stembladen of stemstukken zaten (in plaats daarvan zouden stemringen
moeten worden aangebracht).
6.
De windziekte van het orgel, vooral van het rugwerk.
|
|
De
aanbevelingen van Bastiaans werden overgenomen. Van Dijk bleef hiema nog
jaren met het orgel bezig, hetgeen aanleiding vormde voor een anonieme
Kampenaar eind juni 1864 een ingezonden brief te zenden aan de Kamper
Courant. In de brief werd de orgelmaker ervan beticht het orgel als een
melkkoe te gebruiken. Van Dijk verweerde zich een week later tegen deze
aantijging, ook via een ingezonden brief." Hij stelde dat hij had
gewerkt volgens een voor de aanvang van de werkzaamheden opgesteld plan,
waarvoor twee jaar later goedkeuring was gekregen van de Haarlemse
organist Bastiaans. Hij gaf aan welke verbeteringen er aan het orgel waren
aangebracht, uit welke opsomming tevens de overgenomen adviezen van
Bastiaans zijn te destilleren:
|
|
1.
De blaasbalgen waren onmiddellijk achter het orgel geplaatst.
2. De
blaasbalgen waren beleerd.
3.
Er waren vier geheel nieuwe klavieren gemaakt en koppels ter vervanging
van de onvoldoende gebleken oude constructie.
4.
Er waren stemmen vervangen en nieuwe toegevoegd zoals:
- Viola
da Gamba 8' (Bovenwerk)
- Dolcan
(4')
(Bovenwerk)
- Violon
(4')
(Hoofdwerk)
- Trombone
(8')
(Rugwerk).
Stemmen
waarvan Z. van Dijk zelf vermeldt: "Zo als nooit in de Bovenkerk
gehoord".
5.
De intonatie van al het pijpwerk was verbeterd.
6.
Alle open pijpen waren van stemringen voorzien.
|
|
Het
werk aan het orgel bleef voortduren. In 1865 achtte de kerkvoogdij het
noodzakelijk om het bedrag dat voor dat jaar was uitgetrokken voor de
herstelling van het orgel te verdubbelen en te brengen op f 1600,00.
Uiteindelijk zouden de totale kosten over de periode 1861-1865 f 4057,28
bedragen. In ieder geval maakt het voorgaande duidelijk dat een aantal
veranderingen in het orgel van de Bovenkerk aan Zwier van Dijk moet worden
toegeschreven.
In
1885 verscheen de bekende dispositieverzameling van M.H. van 't Kruijs. De
dispositie die hij maakte van het orgel in de Bovenkerk is weergegeven in DISPOSITIE
5.
|
Onderhoud
door Proper (1894-1937)
Tussen 1882 en 1892
vonden er restauraties aan het kerkgebouw plaats. Wellicht heeft het orgel
toen ook een beurt gehad; zeker is dit echter niet. In 1894 kwam Zwier van
Dijk te overlijden. Dit betekende, dat men zowel een organist als een
orgelmaker nodig had, die het werk van Van Dijk zou kunnen overnemen. Dat
bleek echter geen probleem: in plaats van de overleden organist werd, uit
het voorgedragen drietal J. Proper, Aj. Gaillard en M.H. Braskamp, allen
Kampenaren, de eerstgenoemde benoemd. Het salaris van Proper, een neef van
Z. van Dijk, zou f 200,- per jaar bedragen. Voor het stemmen van de orgels
in de Bovenkerk en de Broederkerk zou hij f 75,- per jaar krijgen. Jan
Proper was als orgelmaker eerst als knecht van Z. van Dijk en later
zelfstandig werkzaam. Waarschijnlijk werkte hij al sinds 1871 bij zijn oom
in de orgelmakerij. Het is niet onmogelijk dat Jan Proper een Vox Celeste
8' op het Bovenwerk heeft geplaatst (in plaats van de Octaaf 4'), daar we
die in de dispositie van 1885 niet tegenkomen, maar later wel. Ook kan
door Proper een Zwelkast om het Bovenwerk gebouwd zijn.
|
|
- Uit 'Orgels en organisten in Kampen' -
W.D. van der Kleij en W.H. Zwart (1995). Met toestemming van
uitgeverij IJsselacademie uit Kampen overgenomen. Het boek
is nog te koop o.a. via hun website: www.ijsselacademie.nl.
|