| Vanaf de veertiger
jaren van de 20e eeuw is de geschiedenis als volgt onder te
verdelen:
|
Onderhoud door
Sanders (1938-1957)
In 1938 presenteerde de firma Sanders een overzicht van de
tekortkomingen van het orgel van de Bovenkerk. Het omvatte
zestien punten, hetgeen neerkwam op de noodzaak van groot
onderhoud. De raming van de kosten van het onderhoud bedroeg f
3.600,-. De werkzaamheden werden in de jaren '40 in gedeelten
uitgevoerd.
In 1942 kreeg de firma Sanders opdracht tot het vervaardigen
van een nieuw pedaalklavier van 27 toetsen. Ook werd de Vox
Humana vernieuwd en een nieuw walsbord aangebracht, met 27
walsen en 54 abstracten. Een nieuwe orgelbank completeerde deze
revisie.
Start grote restauratie van de Bovenkerk
(1957)
In 1957 werd een begin gemaakt met de grote restauratie van
de Bovenkerk. Het orgel werd door de firma Sanders grotendeels
uit elkaar genomen en opgeslagen op de zolder van de
Broederkerk. Het Utrechtse bedrijf J. de Koff en Zoon
reorganiseerde de opslag, voegde de in 1957 nog niet
gedemonteerde delen toe, inventariseerde het gehele orgel,
verrichtte metingen en maakte van dit alles uitgebreid rapport
op. Vooral de pijpen-inventarisatie hierin met mensuren is van
belang. De restauratie van de kerk vorderde intussen gestaag.
Orgel teruggeplaatst in de Bovenkerk (1965)
In 1965 - het koor van de kerk was toen met een houten wand
afgescheiden van het schip - werd het Rugwerk van het nog niet
gerestaureerde orgel teruggeplaatst naar de Bovenkerk, omdat men
behoefte had aan een orgel voor de kerkdiensten. In 1966 werd de
eerste fase van de kerkrestauratie afgesloten.
|
Restauratieplan (1966)
In 1966 bestond de orgelcommissie uit de leden Feike Asma, dr.
M.A. Vente, Willem Hendrik Zwart en Lambert Erné. Deze
commissie ontwierp een uitvoerig restauratieplan. Omdat Erné
zich echter niet kon vinden in de opvattingen van de andere
leden, verliet hij de commissie. Het plan dat daarop verscheen
bestond uit een historisch overzicht, een beschrijving van het
orgel, richtlijnen voor de restauratie en dertien bijlagen.
Toch
waren, de conclusies en de bij eengezochte gegevens niet
voldoende om het orgel te kunnen restaureren. Daarvoor moest
eerst het gehele orgel tijdens de restauratie onderzocht worden.
Als orgelmaker werd de firma Bakker en Timmenga
uit Leeuwarden aangetrokken. Het werk vond plaats onder
supervisie van dr. H.L. Oussoren. Hij kwam helaas voortijdig te
overlijden en werd opgevolgd door O.B. Wiersma van de
Rijksdienst voor de Monumentenzorg.
De restauratie verliep in
vier fasen: |
1. De windvoorziening buiten het orgel.
Alle 7 originele
spaanbalgen werden ter plaatse gerestaureerd. Twee verdwenen trapbalken
werden nieuw bijgemaakt en er werd een nieuwe windmachine
geplaatst. De winddruk werd 70 mm waterkolom. Ter voorkoming van sterke schommelingen
in de winddruk - welke konden ontstaan doordat de windvoorziening bij de uitbreiding
door Schnitger/Freytag in 1788/1790 van het pedaal was afgeleid
van die van het Rugwerk - werd een door een registerknop te
bedienen schokbalg gemaakt op het kanaal naar het Rugwerk. De
mogelijkheid het orgel door middel van orgeltreders (calcanten)
van wind te voorzien bleef gehandhaafd. Het register
Calcantenklok is echter verdwenen, hoewel de knop "Calcant"
nog op het orgel aanwezig is.
|
|

|
De
balgen van het hoofdorgel |
|
Bovenwerk:
De Zwelkast werd verwijderd en de uitbouw van
circa 50 cm aan de achterkant van het orgel werd weggenomen. De
lade werd gerestaureerd en de kantsleep voor de Clarinet 8'
verwijderd. Van het pijpwerk werden de Octaaf 4' en de Scherp
2-3 sterk aangepast aan de Hinsz-Octaaf 4' van het Rugwerk. De
Nassat 11/2 kreeg aanpassing op de beide Fluiten 4' en 2' van
het Bovenwerk. De Speelfluit 3' van het Rugwerk werd op zijn oude
plaats op het Bovenwerk teruggezet.
|
|
2. Het nieuwe Bovenwerk
Bij de restauratie moest een
belangrijke principiële keus gemaakt worden: moest men
terugrestaureren tot de dispositie van 1790 of moest worden
gekozen voor het instrument zoals dat er in 1866 had uitgezien.
In het eerste geval moest prachtig pijpwerk uit de periode
tussen 1790 en 1866 worden verwijderd.
De gevonden oplossing,
"het ei van Columbus" volgens Vente, was mogelijk,
omdat men gebruik kon maken van de bestaande ruimte tussen
Hoofdwerk en Bovenwerk. In deze ruimte kon een nieuwe lade
geplaatst worden, het tweede bovenwerk. Op deze lade kwamen at
de negentiende eeuwse stemmen welke het waard waren behouden te
blijven. Door het aanbrengen van een koppeling tussen dit tweede
Bovenwerk en het oude Bovenwerk, greep, men terug op een
vergelijkbare koppeling van het Borstwerk aan het Hoofdwerk,
zoals die had bestaan tussen 1790 en 1866. De op het tweede
nieuwe Bovenwerk geplaatste stemmen werden zo goed mogelijk aan
het andere pijpwerk aangepast. De nieuwe lade werd in
Hinsz-trant vervaardigd.
|
|

|
|
Het pijpwerk op de 2e
bovenwerklade (uit periode 1790 - 1866) |
|
|
Hoofdwerk:
De lade werd geheel gerestaureerd. Hierop werden
twee nieuw gemaakte stemmen geplaatst, die in de dispositie van
1790 thuis hoorden: Tertiaan 2 sterk en Scherp 3 sterk. Als
toetssteen werd de oude Octaaf 2' van het hoofdwerk gebruikt,
die door Hinsz al uit het oude werk van 1676 was overgenomen.
|
|
3. Rugwerk:
De lade werd geheel gerestaureerd, de kantslepen
werden verwijderd. Hierop kwamen 3 stemmen uit de oude bezetting
van 1790: Gedekte Quint 3', Sexquialter 3 sterk discant en
Siffiet 1', alle aangepast aan het andere pijpwerk op deze lade.
Pedaal:
De lade gelegen in de onderkast, ter weerszijden
onder de zijtorens, werd geheel gerestaureerd. Hierop kwam een
Nachthoorn 2' in plaats van de Quint 3'. In verband met de
ruimte was het pedaal in 1788-1790 aangelegd op een 8 voets
basis van de Prestant 8'. Daar het pedaal in verhouding met de
rest van het orgel zwak klonk werd nu een transmissie gemaakt
van de Prestant 16' van het Hoofdwerk.
|
|
4. Borstwerk:
De lade werd geheel gerestaureerd en hierop
werden de oorspronkelijke vier stemmen uit 1790 geplaatst.
Klaviatuur:
De toetsen van het klavier van het Rugwerk werden
vernieuwd. De frontons van de toetsen werden gegraveerd. De
bakstukken van de klavieren werden vernieuwd in Hinsz-stijl,
zoals voorkomend op het orgel in de Martinikerk te Groningen.
Het pedaalklavier werd nieuw gemaakt en uitgevoerd in eiken in
Oud-Hollandse Stijl.
Algemeen:
De frontpijpen werden van de oude tinfoelielagen
ontdaan en opnieuw van foelie voorzien. Het schilderwerk rondom
de speeltafel werd opnieuw uitgevoerd en de registerbenamingen
weer in de oude staat teruggebracht. Twee beeldjes op het
Rugwerk, die in de vorige eeuw verplaatst waren, werden op hun
vroegere plaats teruggezet. Er werd een nieuwe orgelbank gemaakt
in oude Stijl, eiken met lederen bekleding.
Het pijpwerk, dat over het algemeen voortreffelijk
geconserveerd was, werd schoongemaakt, waar nodig hersteld, en
op de oorspronkelijke plaatsen op de laden teruggezet. De labia
werden niet verguld, daar dit ook voorheen niet het geval was
geweest.
|
|
Ten aanzien van de afsluitingen nog het volgende. Men kan
door gebruikmaking van de afsluiters zowel het nieuwe, tweede,
Bovenwerk als het oude, eerste, geheel vrij bespelen. Een
ingestelde registratie op een doorgekoppeld manuaal kan blijven
staan, terwijl men toch andere registers van andere werken op
het Pedaal kan laten klinken.
De dispositie zoals die bij het gereed komen van de
restauratie in 1975 geworden is, luidt zoals weergegeven in DISPOSITIE
6 (met achter de stemmen de vermoedelijke ouderdom).
|
| Ingebruikname
gerestaureerde orgel (1975)
Op 13 december 1975 werd het geheel gerestaureerde orgel
officieel namens de adviseurs en orgelmakers door Vente
overgedragen aan het college van kerkvoogden, waarna namens dit
college een dankwoord werd gesproken door president kerkvoogd A.
Hengeveld. Deze overdracht vond plaats tijdens een
presentatieconcert door de organist van de Bovenkerk, W.H.
Zwart.
|
|
Onderhoud
door Bakker en Timmenga (1975–1999)
Van 1975 tot 1999 hebben de orgelmakers
Bakker en Timmenga het orgel in de Bovenkerk in onderhoud gehad en
is het stemwerk door hen verzorgd.
|
| Revitalisatie
en onderhoud door Reil (2000-heden)
In 2000 is het
instrument "gerevitaliseerd" door de Orgelmakers Gebr.
Reil. Het gehele orgel is schoongemaakt en op aanspraak en
egaliteit gecontroleerd. Zij hebben alle 7 keilbalgen
aangesloten op de windmachine. Voorts zijn de mechanieken
zorgvuldig bijgesteld en hebben zij waar nodig reparaties
verricht. Het gehele project is in nauwe samenwerking verricht
met de Rijksorgeladviseur, dhr. Rudi van Straten.
|
|
- Uit 'Orgels en organisten in Kampen' -
W.D. van der Kleij en W.H. Zwart (1995). Met toestemming van
uitgeverij IJsselacademie uit Kampen overgenomen. Het boek
is nog te koop o.a. via hun website: www.ijsselacademie.nl.
|