| Deze
pagina geeft een overzicht van alle organisten die in de loop
der eeuwen verbonden zijn geweest aan de Bovenkerk.
De
organisten uit de vóór-reformatorische tijd kunnen worden ingedeeld in
twee groepen. Ten eerste waren er de organisten die werden aangesteld door
de kerkmeesters met de goedkeuring van het stadsbestuur. Meestal werden
zij aangeduid met de titel "meister". De tweede groep werd
gevormd door de priesters die in dienst waren van een altaar dat behoorde
bij een Memorie, Broederschap of Gilde. Zij werden "Heer"
genoemd, al was men daar blijkens de hierna volgende opsomming niet erg
consequent in.
Later werden beide groepen van officianten benoemd door het
stadsbestuur, dat het recht van benoeming of collatie naar zich toetrok.
Bij het hierna volgende overzicht moet worden bedacht dat het na zoveel
eeuwen niet altijd mogelijk is om aan te geven in welke kerk of kapel een
organist in functie was (we weten zelfs niet precies hoeveel orgels er aan
het eind van de Middeleeuwen in de stad waren). Wie van de in de archieven
genoemde organisten precies waar speelde is voor wat betreft de periode vóór
de Reformatie veelal onduidelijk.
Overzicht
van organisten:
|
|
|
| Nicolaus
Koleman (circa 1403) |
| In het Kamper Burgerboek werd hij
in 1403 ingeschreven als organist. |
Terug
naar overzicht |
| Ludeken
Roelofsz (circa 1470) |
| Hij
staat in de archieven vermeld als "organista'. Op 14 januari 1465 en
later, omstreeks 1470, werd hij genoemd onder de priesters die
solliciteren naar de bediening van de St.- Geertruidskapel |
Terug
naar overzicht |
| Heer
Melio (circa 1474) |
| Staat
in 1474 vermeld als "de organijsta". |
Terug
naar overzicht |
| Meister
Joergen (circa 1476) |
| Staat
in 1476 genoteerd als "orgelijst". |
Terug
naar overzicht |
| Heer
Berent (circa 1477) |
| Werd
in 1477 omschreven als "de orghaniste" (zie ook Berent van Wesell,
circa 1496). |
Terug
naar overzicht |
| Heer
Luyken (circa 1483) |
| Wordt
in 1483 genoemd als de inmiddels overleden organist van de Heilige
Sacramentsmemorie. Uit hetzelfde stuk blijkt dat er ook vóór hem al
organisten in dienst waren van deze memorie (zie Meester Jacob van Zyll). |
Terug
naar overzicht |
| Meester
Jacob Zyll of Her Zill (circa 1483) |
| Hij
was organist van het Heilige Sacramentsmemorie, zoals blijkt uit een
overeenkomst uit 1483, waarin gezegd wordt, dat hij "wegen syne
dachlixe presencie offte loen gelyck salige Heer Luyken ende andere sijne
voirvaderen geboirt hebben". Uit een aantekening van twee jaar later
blijkt dat Jacobus Zyl vicaris was, dat wil zeggen houder van een vicarie
(jaarlijkse rente uit geestelijke goederen als tegenprestatie voor
regelmatig te verrichten geestelijke handelingen door een priester). |
Terug
naar overzicht |
| Berent
van Wesell (mogelijk van circa 1477 - circa 1500) |
| Deze
organist van de St.-Nicolaaskerk werd op 13 januari 1496 door de
kerkmeesters "weder angenoemen" voor drie jaar, zodat duidelijk
is dat hij al langer in dienst was. Uit de uitdrukking "voor drie
jaar" volgt dat er toen een meer geregeld dienstverband was. Het is
niet ondenkbaar dat hij dezelfde persoon was als "Her Berent" die
genoemd werd in 1477. |
Terug
naar overzicht |
| Reyner
Bogerman (circa 1500 - circa 1520) |
| Reyner
Bogerman, afkomstig uit Dokkum - in het boek van de St.-Cuneramemorie werd
hij in 1500 ingeschreven als "Meester Reiner Bogerman orghelist van
Dockum" - was tevens stadssecretaris. In een brief van 24 december
1505 werd hij door de Kamper magistraat aangeduid als "onsen
Secretarium ende organist". De functie van stadssecretaris vervulde
hij twee keer, van circa 1500 tot 1514 en van 1520 tot 1533. Bogermans
zegel, bewaard gebleven aan een brief de dato 4 juni 1518, bevat onder
andere drie orgelpijpen. Bogerman werd ook wel gevraagd als
orgeldeskundige. Zo trad hij bijvoorbeeld in 1509 op als keurmeester bij
de keuring van het orgel in de St.-Jacobikerk te Utrecht. |
Terug
naar overzicht |
| Meester
Jan de Vos van Mechelen (circa 1520 - circa 1525) |
| In
1522, 1523 en 1524 wordt een meester Jan of Johan genoemd, die
waarschijnlijk organist was van de St.-Nicolaaskerk, aangezien in deze
jaren iemand anders organist was van de Onze Lieve Vrouwe- of Buitenkerk.
Als dit inderdaad het geval was, is hij de laatste organist van het oudste
grotere orgel of speelde hij uitsluitend op het kleinste orgel. In 1523
was immers een nieuw groot orgel gereed gekomen, gebouwd door Johan van
Kovelens. Vermoedelijk was meester Jan of Johan dezelfde als Meester Jan
de Vos van Mechelen, die sinds 1527, toen zijn ."huysraet" naar
Kampen kwam, zangmeester was van de St.-Nicolaaskerk. Dit vermoeden wordt
bevestigd door het feit dat hij in 1529 en 1530 nog salaris uitbetaald kreeg "wat hye ten achteren was by syn tyt hye orgellist
was". Hij werkte veel samen met Willem Andriessen (zie hierna). In
1571 maakte hij een besloten testament. Hij overleed in 1574." (Zie
ook Rombout van Mechelen, 1549-1560). |
Terug
naar overzicht |
| Meester
Dubbelt Dubbeltsz. (1526-1548/1560) |
| De
in 1526 aangestelde meester Dubbeltsz. was vermoedelijk de eerste organist
die speciaal voor het kort tevoren gereed gekomen nieuwe grote orgel werd
aangesteld. Hij had ook een taak bij het in orde houden van de orgels. Zo
reisde hij in 1532 tweemaal naar Amsterdam om de orgelmakers te halen.
In 1539 gebeurde dit nogmaals. Ook bij de reparatie van het orgel in
1547-1548 komen we zijn naam tegen. Dubbeltsz. werd in 1547
stadssecretaris. De combinatie organist - secretaris, die ook bij Bogerman
was voorgekomen, bracht met zich mee dat hij niet steeds aanwezig kon zijn
om, wanneer dat nodig was, op het orgel te spelen. Daarom moest hij een
plaatsvervanger aanstellen. In 1549 werd dat "Romboldo", de zoon
van de eerder genoemde Meester Jan de Vos van Mechelen. In de rekening van
de kerkmeesters van de St.-Nicolaaskerk over 1549 staat vermeld "tot
mester Dubbelts huis in de harreberge", uit welke passage zou kunnen
worden opgemaakt dat hij tevens herbergier was. Meester Dubbeltsz.
overleed in 1560. |
Terug
naar overzicht |
| Rombout
[de Vos van Mechelen] (1549-1560) |
| De
vervanger van Dubbeltsz., ook wel Romboldus of Romboldo genoemd, ontving
als salaris 48 herenpond plus &herenpond voor huishuur per jaar. Hij
en zijn broer Hendrick waren zonen van Rombout de Vos die voor 20 juni
1543 overleed. Mr Johan de Vos, de "sanckmeister", was momber (=
voogd) van deze kinderen. Rombout
de Vos van Mechelen bleef tot zijn overlijden in 1560 in functie. Hij werd
begraven in de kooromgang van de St.-Nicolaaskerk. |
Terug
naar overzicht |
| Meester
Jacob
Borchartsz. (1560-1564) |
| Na
de dood van Rombout stelde Meester Dubbeltsz. Meester Jacob aan als
plaatsvervanger. In de overeenkomst werd bepaald dat deze "dat vurss.
Orgel bewaren sall drei jaren durende stede ende vast ende jaerlix daervan
genieten alle die profeyten ende opcomsten die z[aligel. Mr. Ro[mbolt].
daervan pleget to hebben". Uit een aantekening in het Momberhoek in
1564, waarbij Meester Albert Maier (jacobsz.) na het overlijden van
Borchartsz.' vrouw tot voogd werd verklaard over het minderjarig
dochtertje van Borchartsz., blijkt dat hij toen nog steeds organist was. |
Terug
naar overzicht |
| Meester
Willem Andriessen (1565-1608) |
| Uit
zijn aanstellingsbrief van 4 februari 1565 blijkt, dat hij nog niet direct
als organist in functie trad. Hij moest eerst een jaar lang in de leer
gaan bij een "experten meister ende organist" om "wel ende
bequamelijck toe leren spoelen". Heer Goessen van Voerst zou dat jaar
waarnemen. Na de genoemde leertijd zou hij dan voor drie jaar benoemd
worden op dezelfde voorwaarden als zijn voorganger Jacob Borchartsz.,
waarna hem een beter tractement in het vooruitzicht werd gesteld. Blijkbaar
had hij zijn leertijd goed besteed, want hij bleef zeer lang organist van
de St. Nicolaas- of Bovenkerk. Hij moet daarbij ook plooibaar zijn
geweest, want zowel in de tijd van de bezetting door graaf Willem van den Berg
als in de periode van Rooms-Katholieke restauratie van 1572-1578 en in de
tijd van de Hervorming na 1580 bleef hij als organist op zijn post.
Daarbij bleef hij katholiek. Gedurende het bewind van Van den Berg (11
augustus tot 19 november 1572) was zijn positie echter onzeker. Wellicht
was gedurende enkele maanden Gerrit Lucasz., later organist van de Heilige
Geest Gasthuiskerk en de Broederkerk, de 'officiele' organist. In de
rekeningen van de kerkmeesters van de St.-Nicolaaskerk komen we Andriessen
voor verschillende posten tegen, samen met Heer Jan (priester van de
vicarie van St.-Marie in de Bovenkerk en organist van de Buitenkerk). Zij
repareerden bijvoorbeeld het kleine orgel en deden kleine herstellingen
aan het grote. Na de dood van de zangmeester Jan de Vos van Mechelen in
1574 nam Willem Andriessen een aantal jaren diens post waar. In 1581
gingen Heer Jan en Willem naar Zwolle om orgelmakers te verzoeken naar
Kampen te komen om het orgel in de Bovenkerk te repareren. Andriessen
overleed in 1608. |
Terug
naar overzicht |
| Johan
Thijssen of Jan Matthijsen (1609-1612) |
| Johan
Thijssen of Jan Matthijsen werd in 1587 of 1588 geboren. In de Kamper
rekeningen komt hij voor als Thijssen, in andere bronnen als Matthijsen.
Voor zijn taak als organist van de Bovenkerk ontving Thijssen jaarlijks
160 gulden en voor het stemmen 5 gulden. In 1612 kreeg hij nog één
kwartaal uitbetaald. Zijn vertrek hangt samen met zijn benoeming op 9
januari van dat jaar tot organist van de Grote- of St.-Clemenskerk te
Steenwijk. Hier kreeg hij 200 gulden per jaar en "vrij wonen".
Thijssen was in Steenwijk ook schoolmeester. In 1625 kreeg hij samen met
zijn broer Gerrit het "benefice" van de nalatenschap van hun
moeder, Derkien Malers Wysemoer. Johan Thijssen overleed te Steenwijk op
24 december 1636. |
Terug
naar overzicht |
| Meester
Arent Jansen van Munster (1612-1618) |
| Er
moet voor de functie van organist aan de Bovenkerk een interimperiode
geweest zijn, daar we in de rekeningen gedurende de jaren 1612-1618 naast
de organist voor de Broeder- en de Buitenkerk geen andere organist
tegenkomen. Deze organist, meester Arent Jansen van Munster, nam ook de
dienst in de Bovenkerk waar. Het is niet onmogelijk dat dit samenhangt met
de godsdiensttwisten die tijdens het twaalfjarig bestand plaatsvonden. Ook
is hier wellicht van betekenis dat de stad op 21 februari 1611 bij
resolutie besloot dat de geestelijkheid voortaan met de uitbetaling van de
traktementen van de organisten werd belast. |
Terug
naar overzicht |
| Cornelis
Jansen (1618-1664) |
| Deze
organist, mogelijk de zoon van klokkenist of "beyerman", Johan
Cornelissen, had een drieledige functie: organist, klokkenspeler en
bazuinspeler. Voor zijn organistschap ontving hij in 1632 140 gulden. Zijn
totale traktement werd in 1634 verhoogd van 250 naar 300 gulden per jaar
omdat hij met twee anderen drie maal per week een half uur een
"blaasconcert" moest geven vanaf de stadhuistoren. Jansen
speelde daarbij bazuin, de andere twee "cinke" (in dit geval
vermoedelijk een soort trompet) en schalmei. Uit de beschikbare gegevens
blijkt hoe zwaar en gecompliceerd een organistenbetrekking in die tijd
was. Van stadswege werd veel gedaan om het publiek te vermaken met orgel-
en klokkenspel en met bazuingeschal. Overigens was de kerkenraad niet
altijd tevreden over de levenswandel van de organist. Van de vergadering
van 12 januari 1635 werd in de notulen genoteerd:
"Is
ingebracht dat d'organist van de bovenkerck niet alleen uit het gehoor van
gods woordt blijft, maer oock dat hij taback drinckt ende de kerck met
stanck vanden taback vervult; is goet gevonden dat d'Achtb. Mag. hem
daerover gelieve te censureren".
Tijdens
het organistschap van Cornelis Jansen werd begonnen met de renovatie van
het orgel. In 1664, na 46 jaar, werd Cornelis Jansen als organist van de
Bovenkerk vervangen door Hendrik van Benthem "de Jonge".
Blijkbaar werd de oude organist hierna een soort pensioen gegund, want
over de jaren 1664-1672 werd hem nog salaris uitbetaald: over 1664 bedroeg
dat 225 gulden en over de jaren 1665-1672 200 gulden per jaar. |
Terug
naar overzicht |
| Hendrik
van Benthem "de Jonge" (1664-1673) |
| Hendrik
van Benthem "de Jonge" was afkomstig uit Zutphen. Hij was een
zoon van Arent of Arnoldus van Benthem, organist van de Sint Walburgiskerk
aldaar en broer van diens opvolger Theodorus van Benthem. Hendrik werd bij
resolutie van Schepenen en Raden van Kampen van 6 februari 1664,
aangesteld als organist van de Bovenkerk en tegelijk als klokkenist op het
nieuwe Hemony-klokkenspel inmiddels hangend in de toen zeer nieuwe 'Nieuwe
Toren'. Zijn oom, Hendrik van Benthem "de Olde", de organist van
de Broederkerk, was bij zijn benoeming aanwezig. Zijn salaris voor deze
functie bedroeg 450 gulden met vrij wonen, op voorwaarde dat hij twee maal
per dag het klokkenspel bespeelde. Met kerstmis 1664 werd hij ingeschreven
als lidmaat van de Gereformeerde Kerk. In april 1666 trad hij in het
huwelijk met de Amsterdamse Lysbeth van Ceulen. Uit dit huwelijk werden in
Kampen vier kinderen geboren: Arent (1666), Hendrik (1667), Christina
(1669) en Cornelia (1671). Halverwege 1673 vertrok hij naar Amsterdam,
waar hij suppoost werd. Wat de reden voor zijn vertrek was, is niet geheel
duidelijk. Wellicht hangt het samen met de algehele restauratie van het
orgel in de Bovenkerk - zijn salaris werd in deze tijd gehalveerd, omdat
hij nog slechts als klokkenist werkzaam was - of ook met de Franse bezetting.
In 1681 kwam hij nog een keer naar Kampen terug bij de verkoop van het
huis uit de erfenis van zijn oom. Hendriks dochter Cornelia trouwde met de
wijnkoper Jodocus Revius uit Deventer. |
Terug
naar overzicht |
| Gijsbert
van Steenwijck (1673-1679) |
| De
uit Amhem afkomstige Gijsbert, die in 1663 lid was geworden van het aloude
Collegium
Musicum te Arnhem en in oktober 1665 was benoemd tot organist en
klokkenist aldaar, was vermoedelijk een zoon van Nicolaas Steenwijck, die
in 1648 organist was in Arnhem. Bij zijn komst naar Kampen kreeg Van
Steenwijck een salaris van 500 gulden toegewezen. Waarschijnlijk was hij
toen overigens al op leeftijd. Van Steenwijck zal eerst voornamelijk als
klokkenist zijn opgetreden, daar het orgel in 1673 vermoedelijk nog niet
klaar was. Hij was een begaafd musicus en componist. Er zijn nog enkele
composities van zijn hand bewaard gebleven. In 1674 werd Van Steenwijk
burger van Kampen. Op 20 augustus 1679 werd hij begraven in de Bovenkerk. |
Terug
naar overzicht |
| Johannes
Kempher (1679-1691) |
| Deze
in Hoorn geboren organist kwam in 1677 vanuit Monnikendam naar Kampen bij
zijn benoeming tot organist van de Broeder- en de Buitenkerk. In 1679
volgde hij Van Steenwijck op als organist van de Bovenkerk. Zijn
tractement liep tijdens zijn organistschap op van 350 tot 500 gulden per
jaar. In September 1678 werden hij en zijn vrouw, Allegunda Bürghgraeff
ingeschreven als lidmaten van de Gereformeerde kerk. Vier maanden later
werd hij ook burger van de stad Kampen. In 1688 huwde hij voor de tweede
maal, nu met Pieternella Stellingwerf uit Blokzijl. Kempher fungeerde
tevens als klokkenist. In 1684 kreeg hij het aanbod organist in Hoorn te
worden. Door verhoging van zijn salaris kon hij nog enige tijd voor Kampen
behouden blijven. In 1691 vertrok hij echter toch in verband met
zijn benoeming in Alkmaar, waar hij in 1687 al eens eerder als keurmeester
voor het klokkenspel was opgetreden. Hij kreeg bij zijn sollicitatie
aldaar een zeer goede beoordeling. Hij wist, zo meldde men "den orgel
meesterlijck te handelen met de meeste genoegen voor het gemeen", en
was bovendien "oock van goede comportement (gedrag)". Verder
werd aangevoerd dat Kempher als klokkenist het voordeel had dat hij een
zwaar klokkenspel van wel 50.000 pond gewend was (bedoeld werd het
klokkenspel van de Nieuwe Toren te Kampen) en dat hij "dingen op de
klocken doet die hem niemant nae sal doen, verder dat hij alles voor de
vuijst speelt". Tot zijn overlijden in 1701 bleef hij organist van de
St.-Laurenskerk aldaar. Over zijn overlijden werd geschreven dat hij in
dronkenschap gestorven was en in die toestand op het kleine orgel was
gevonden. Zijn zoon Gerard Kempher werd rector van de Latijnse school te
Alkmaar. Tijdens het organistschap van Kempher sr. in Kampen werd het
orgel verplaatst van de noordelijke muur naar de torenwand.
|
Terug
naar overzicht |
| Theodorus
Holtius (1691-1700) |
| Als
opvolger van Kempher was in eerste instantie Helmich Bakker uit
Monnikendam benoemd, maar deze kwam nog voor zijn komst naar Kampen te
overlijden. In zijn plaats werd toen Theodorus of Derck Holtius
aangesteld, sinds 1681 organist van de Bergkerk te Deventer. Holtius had
in 1684 ook waargenomen voor de toen zieke organist van de Grote Kerk in
Deventer, Jurrien of Georg Berff. Daarbij was afgesproken dat Holtius de
betrekking van Berff zou krijgen na diens overlijden. Door onbekende
oorzaak is dit niet gebeurd, want in 1691 werd een ander als opvolger van
Berff te Deventer benoemd. Vermoedelijk is dat de reden geweest voor
Holtius naar de functie in Kampen te solliciteren. Zijn traktement in
Kampen bedroeg 450 gulden per jaar. |
Terug
naar overzicht |
| Luichjen
Wolters (1700-1705) |
| Nadat
aanvankelijk een zekere Brouwer als organist was aangenomen en deze had
bedankt, werd de in Groningen geboren Luichjen Wolters aangesteld. Van hem
weten we behalve dat hij op 4 februari 1701 in het burgerboek van Kampen
werd ingeschreven en in 1705 na een benoeming in Groningen weer naar zijn
geboortestad vertrok, niets. |
Terug
naar overzicht |
| Jan
Nicolaas Berff (1705-1736) |
| Deze
organist, van wie het niet ondenkbaar is dat hij familie was van Jurrien
of Georg Berff, die van 1666 tot 1691 organist was 'van de Grote Kerk in
Deventer, werd in 1700 eerst benoemd tot organist van de Waalse of Franse
Kerk. Vijf jaar later volgde zijn aanstelling van de Bovenkerk, tegen het
in vergelijking met zijn voorgangers beperkte salaris van 325 gulden per
jaar. Vermoedelijk hing dit samen met de financiële moeilijkheden waarin
de kerk in deze jaren verkeerde. Berff was ook
torenblazer. Bovendien componeerde hij. Als orgeldeskundige kwam hij in
1716 naar Meppel om daar het orgel van Jan Harmens Kamp te keuren. Hij
overleed in September 1736 en werd begraven in de Bovenkerk. |
Terug
naar overzicht |
| Bernardus
Breunissen (1737-1740) |
| Voor
de opvolging van Berff werd een uitvoerige procedure gevolgd, waarvan een
omvangrijk verslag is gemaakt door burgemeester Rogier Sabe. In de zomer
van 1737 werden advertenties geplaatst, waarop 11 sollicitaties
binnenkwamen. Onder de sollicitanten waren bekende namen als Laurens
Sickel uit Amsterdam, later organist in Bergen op Zoom; Dominicus Jaersma
uit Maassluis (1733-1753) en M.E. Heinsius uit Arnhem. Ook de jonge
Kamper organist Willem Bruinier deed mee. Hij bleek al ver gevorderd, maar
nog niet goed genoeg. Als examinator trad op A.C. Stegwey, organist van de
Grote Kerk te Zwolle (1737-1775). Uiteindelijk bleek Bernard Breunissen
uit Bergen op Zoom de beste als organist, maar vooral als klokkenist. De
benoeming vond plaats op 9 november 1737. Als salaris werd afgesproken een
bedrag van 400 gulden per jaar. Tot het "examen" had ook een
muziekles behoord, want de organist moest ook de wekelijkse repetities
verzorgen van het "Musyeq Collegie", oftewel het stedelijk
orkest, een amateurensemble dat met steun van de door de stad aangestelde
musici openbare concerten gaf. Breunissens taak werd in dat opzicht
omschreven als: " [ ... I en aldaer het musyeq mede te exerceren als
mede om de jonge jeugt althier des begeert wordende in deselve te oeffenen." In 1739 werd Breunissen ingeschreven als lidmaat van de
Gereformeerde Kerk. Lang had men in Kampen geen plezier van de nieuwe
organist. Al na drie jaar kwam hij te overlijden. Op 17 oktober 1740 werd
hij begraven in de Bovenkerk. |
Terug
naar overzicht |
| Willem
Bruinier Jz. (1741-1745) |
| Willem
Bruinier was een zoon van Jan Bruinier, koster-organist van de Waalse Kerk
te Kampen. In juni 1709 werd hij burger van de stad. In 1740 viel
Bruinier, die bij het "examen" van 1737 als tweede na Breunissen
was geëindigd, in voor de overleden organist. Op 3 juni 1741 volgde zijn
benoeming, eveneens op een salaris van 400 gulden per jaar. In hetzelfde
jaar solliciteerde Bruinier ook in Delft. Hij werd hier opnieuw tweede van
in totaal 17 sollicitanten en bleef zodoende nog enige tijd in Kampen. In
zijn tijd werd het orgel in de Bovenkerk door A.A. Hinsz vemieuwd en
uitgebreid. Op 10 oktober 1743, toen het nog niet geheel was afgewerkt,
maar al wel kon worden bespeeld, keurde hij het orgel, samen met Hendrik
Redeker. In September 1744 werd Willem Bruinier ingeschreven als lidmaat
van de Gereformeerde Kerk te Kampen. Vreemd is dat hij al op 28 november
1745 met attestatie naar Enkhuizen vertrok, waar hij was benoemd tot
organist van de St.-Gomarus of Westerkerk. Daarnaast zou hij er werken als
beiaardier. Bruinier bleef in Enkhuizen tot aan zijn dood in 1786. Hij
werd er stamvader van een reeks organisten en klokkenisten. Het instrument
dat Bruinier te Enkhuizen te bespelen kreeg was een orgel uit 1547 van
Hendrick Niehoff. Wellicht kon hij het moderne orgel van Hinsz niet zo
waarderen. |
Terug
naar overzicht |
| Caspar
Berghuijs (1745-1786) |
| Bij
het aantreden van deze organist werden de taken van de stadsorganist nog
eens op een rijtje gezet: behalve de kerkdiensten moest hij iedere
zaterdag van twee tot drie uur op het orgel spelen, twee maal in de week,
op maandag- en donderdagochtend op de klokken spelen en verder zorg dragen
voor de gang van zaken rond het stedelijk orkest. Berghuijs was een zoon
van Dirk Berghuijs en Maria Pachels. Hij was geen lidmaat van de
Gereformeerde, maar van de Lutherse Kerk te Kampen. Op 12 april 1748 werd
hij daar ingeschreven. Wellicht mag dit worden opgevat als een teken van
de veranderende tijdgeest en de veranderende houding tegenover andere
religies. Berghuijs' traktement bedroeg 400 Carolus guldens per jaar. Hij
was bekend met de in 1746 overleden Amsterdamse organist G.E Witvogel, zo
blijkt ons uit de bronnen. In 1783, toen zijn hoge leeftijd hem parten
begon te spelen en hij steeds minder kon zien, sloot hij een overeenkomst
met Cornelis Buys, waarin werd bepaald dat deze zijn diensten als organist
zou waarnemen. Op 4 december 1784 maakte hij een testament. Twee jaar
later kwam hij te overlijden; hij werd op 3 juli 1786 in de Bovenkerk
begraven. |
Terug
naar overzicht |
| Comelis
Buys (1786-1791) |
| Hij
werd op 17 juni 1757 geboren te Amsterdam, als zoon van Cornelis Buys en
Leysie Smith. In 1783 werd hij plaatsvervanger voor Caspar Berghuijs. In
juli 1786 volgde hij hem op als organist, klokkenist en stadsmusicus. Buys
had patriottische sympathiën. Vóór 1786 was hij muzikant in de
compagnie van de Majoor Tengnagel bij het Regiment Cavallerie, onder
Luitenant-Generaal Jan Willem de Famars. In 1786 maakte hij voor het
Patriottische exercitiegenootschap "Voor Vrijheid en Eendragt" twee marsen:
de Parademars en de Bataillemars. De tekst van de marsen werden gevormd
door gedichten van de "donderpoëet" Jan Louis van Laar Mahuet.
Bij de tocht naar Hattem in 1787 werd Buys gevangen genomen door de
Pruisen die de in het nauw gedreven stadhouder Willem V te hulp waren
gekomen. Buys werd naar Wesel gevoerd, maar wist te ontsnappen en kwam
naar Overijssel terug, eerst naar Deventer en vervolgens naar Kampen.
Tijdens zijn organistschap werd het orgel van de Bovenkerk uitgebreid met
een vrij Pedaal en, boven bestek, met een klein Borstwerk. Hij moet een
knap musicus geweest zijn, die behalve orgel ook hoorn, trompet, viool,
altviool en piano kon spelen. Omdat hij zijn positie kon verbeteren, ging
hij in 1791 naar Zaltbommel waar hij de functies vervulde van organist,
klokkenist en stadsmusicus. Samen met Alijda Brandts, met wie hij in 1825
in het huwelijk zou treden (het was zijn tweede huwelijk) kreeg hij in
1812 een zoon, Cornelis Alexander Brandts, die zich later Brandts Buys
ging noemen. Deze Cornelis Alexander werd de stamvader van het bekende
geslacht Brandts Buys, dat in de negentiende en twintigste eeuw op
muzikaal gebied via vele familieleden vermaardheid verwierf. Cornelis Buys
overleed in Zaltbommel op 2 maart 1831. |
Terug
naar overzicht |
| Cornelis
Berghuis (1791-1804) |
| Deze
organist, in 1762 in Kampen geboren als zoon van Herman Berghuis en Jacobje
Geurts, was vóór zijn aanstelling bij de Bovenkerk, organist in
lJsselstein.
Zijn eerste aanstelling had hij al op 17-jarige leeftijd gekregen in de
Oude- of Mariakerk in Apeldoorn. Hij kreeg daar een "fortabel
tractement" van de vorstelijke schenkers, reden waarom hij ook moest
assisteren bij de concerten op 't Loo. Berghuis was lidmaat van de
Hervormde Kerk, zoals de Gereformeerde Kerk inmiddels genoemd werd.
Bovendien was hij lid van de Kamper vrijmetselaarsloge 'Le Profond Silence'. Hij trouwde op 17 december 1793 met Caatje van Groningen. Te
Kampen kreeg hij zes kinderen. Behalve organist was hij - evenals zijn
voorgangers - klokkenist, stadsmuziekmeester en muziekleraar. Berghuis was
patriottisch gezind. Niet voor niets speelde hij in 1795 na de intocht van
de Fransen met veel genoegen "de Marseillaansche marsch" op het
Kamper carillon. Hij werd in de jaren hierna tot twee maal toe in de
municipaliteit gekozen. Wellicht in verband met de hierdoor ontstane
afgunst kreeg hij in 1797 een officiële berisping, zogenaamd omdat hij
niet vaak genoeg als solist optrad met het stadsorkest - in welke kring in
1796 al eens ruzie was ontstaan over het eigendom van de instrumenten, de
rnuziek en dergelijke van het orkest. In 1798 stuurde hij een request naar
de "municipaliteit" om de hem in 1797 overkomen
"bejegeningen" ongedaan te maken, maar het stadsbestuur gaf hem
de raad "door de edele toonkunst harmonie in aller harten aan te
kweken". In 1800 kreeg de organist alsnog eerherstel en werd de
berisping uit 1797 formeel ingetrokken. Hierbij werd zelfs nadrukkelijk
bepaald dat "in de uitoefening van de vreije kunsten, en voornamelijk
in de Toonkunst" dwang uit den boze was.
Op
een bijeenkomst der Latijnse school in 1802 zong Berghuis samen met zijn
vrouw een duet. Toen hij in 1804 naar Deventer dreigde te vertrekken, bood
de magistraat aan, zijn salaris te verhogen van 400 gulden naar 600
gulden. Hij vertrok niettemin in oktober van hetzelfde jaar met attestatie
naar die stad, waar hij als organist en klokkenist 650 gulden kon
verdienen. Berghuis was op dat moment at enige jaren werkzaam in Deventer
als "Orchestdirecteur" van "Unis par les Sons de la
Musique" (I 793-1808). In 1807 verliet hij Deventer weer in verband
met zijn benoeming tot organist te Alkmaar. Hier overleed hij in 1816. |
Terug
naar overzicht |
| Jan
Herman van der Dussen (1805-1859) |
| Na
een interimperiode, waarin de organist van de Waalse Kerk, L. Verwer
tijdelijk organist was van de Bovenkerk, werd de uit Arnhem afkomstige Jan
Herman van der Dussen benoemd. De jonge Van der Dussen, hij was op 30
September 1782 geboren in Arnhem als zoon van de organist van de Grote
Kerk aldaar, was vóór zijn benoeming te Kampen organist van de Lutherse
Kerk te Arnhem en kapelmeester van 't Bataafse Burgerwachtcorps. Te Kampen
was hij ook dirigent van het zangkoor. Als stadsmuziekmeester droeg hij
zorg voor de repetities en concerten van het muziekcollege. Verder diende
hij muzieklessen te geven, met een groep muzikanten de promoties op de
Latijnse school op te luisteren, openbare (orgel)concerten te verzorgen en
zorg te dragen voor alles wat met het muziekcollege te maken had. Zijn
salaris bedroeg 600 gulden per jaar. Door de scheiding tussen kerk en
staat welke in deze tijd werd aangebracht, verviel in 1809 het ambt van
stadsorganist, en daarmee de plicht openbare orgelconcerten te geven. Zijn
salaris werd bijgesteld tot 350 gulden per jaar. Van de kerkmeesters
ontving hij voortaan nog maar 100 gulden per jaar, alleen bedoeld voor het
spelen tijdens de diensten. Dit bedrag liep in 1813 op tot f 150,- en werd
in 1821 verhoogd tot f 200, Soms trad Van der Dussen op als keurmeester
voor reparatie of nieuwbouw van orgels, bijvoorbeeld in Elburg (1825),
Terwolde (1827) en Heerde (1845). Daarnaast schreef hij over kerkmuziek en
componeerde hij. Van der Dussen huwde met Johanna Geertruide Zegers. Van
zijn kinderen trad Frederik in het voetspoor van zijn vader. Hij werd
eerst organist van de Doopsgezinde Kerk te Kampen (1833-1843) en
vervolgens van de Grote Kerk te Harlingen, in welke stad hij tevens
muziekdirecteur was. Uit 1858 is bekend dat Frederik optrad als
keurmeester van het orgel te Kimswerd. In 1855 vond de feestelijke
viering van het 50-jarig jubileum van Jan Herman van der Dussen als
organist te Kampen plaats. Hij overleed op 15 februari 1859. |
Terug
naar overzicht |
| Zwier
van Dijk (1859-1894) |
| Van
Dijk trad in 1848 naar voren als hersteller van het orgel in de
Broederkerk te Kampen. Geboren in Kamperveen, verhuisde hij in 1856 naar
Kampen, waar hij zich overigens in eerste instantie afficheerde als
horlogemaker. Vermoedelijk hing de benoeming van Van Dijk minder samen met
zijn kwaliteiten als organist (daarover werden geen gegevens gevonden, hij
deed ook nooit van zich spreken als concertgever, dit in tegenstelling tot
zijn collega van de Broederkerk, WR. Hauff) dan met zijn kwaliteiten als
orgelbouwer. Hierdoor kon de kerkvoogdij immers tegen geringe kosten
rekenen op goed onderhoud en stemwerk en deugdelijke reparaties en
nieuwbouw. Zijn salaris bedroeg f 200,-. Aanvankelijk ontving hij voor het
stemmen van orgels f 50,- per jaar. In 1872 werd dit bedrag verhoogd tot f
75,-. Op 30 december 1866 trad hij in het huwelijk met Elsjen Proper uit
Heerde. Dit huwelijk bleef kinderloos. Van Dijk associeerde zich later met
zijn neef Jan Proper. Hij kwam in 1894 te overlijden. |
Terug
naar overzicht |
| Jan
Proper (1894-1919) |
| De
constructie dat een orgelmaker als organist fungeerde beviel blijkbaar
goed, want Van Dijks associé werd tot zijn opvolger benoemd. Proper
fungeerde enige tijd als organist in de afgescheiden gemeente van
Hoksbergen. In 1870 deed hij mee aan een vergelijkend examen voor organist
van de Broederkerk. Van 1877 tot 1894 was hij organist van de Burgwalkerk.
Zijn salaris ving in 1894 aan met f 200,- per jaar. In 1906 werd dit
verhoogd tot f 250,- en in 1917 tot f 275,-. Voor het stemmen van twee
orgels ontving hij f 75,- op jaarbasis, met de verplichting jaarlijks
enkele orgelconcerten te geven. Van zijn kwaliteiten als organist weten we
weinig. Proper trad slechts bij uitzondering op als concertgever. Het
maken van orgels leerde hij bij zijn oom Zwier van Dijk, vermoedelijk
vanaf 29 mei 1871 toen hij van Heerde naar Kampen kwam. Omstreeks 1880
komen we Proper echter ook als zelfstandig orgelmaker tegen. Jan Proper
overleed op 4 november 1922. |
Terug
naar overzicht |
| Dirk
Jan Proper (1919-1946) |
| Dirk
Jan Proper, het enige kind van Jan Proper dat in leven bleef, was geboren
op 31 augustus 1887. In 1915 behaalde hij het getuigschrift voor organist
van de Nederlandsche Organisten Vereeniging. Hij huwde met H. Allon. Uit
dit huwelijk werden geen kinderen geboren. Toen zijn vader op 1 juni 1919,
na vijfentwintig jaar als zodanig werkzaam geweest te zijn, ontslag had
genomen als organist van de Bovenkerk, volgde Dirk Jan hem op. Dirk Jan
werkte mee in de orgelmakerij van zijn vader en zette het bedrijf nadat
zijn vader zich in 1918 had teruggetrokken nog enige tijd zelfstandig
voort, maar het betrof vooral onderhoud en stemwerk. Na enige tijd werd de
orgelmakerij overigens, in verband met moeilijkheden met het personeel,
toch opgeheven. Zijn voornaamste knecht, Jacob van Lochem begon voor
zichzelf te werken. In 1936 klaagde organist H. Nijhof van de Broederkerk
over het onderhoud en het stemmen van de orgels. Proper verweerde zich
door op te merken dat hij alleen voor het stemmen verantwoordelijk was. In
1937 kwamen er ook klachten over zijn orgelspel, voornamelijk van de zijde
der predikanten. Toch bleef hij tot 1946, toen hij om gezondheidsredenen
bedankte, als organist in functie. Zijn salaris bedroeg f 275,- per jaar.
Daarnaast ontving hij jaarlijks f 100,- voor het stemmen van twee orgels.
In 1949 verhuisde Proper naar Ommen, waar hij 6 februari 1964 overleed. |
Terug
naar overzicht |
| Theodorus
Willem van Dijk (1946-1951) |
| Th.W.
van Dijk werd geboren Kampen 3 September 1906. Met hem begon een nieuwe
generatie organisten in de Bovenkerk. Van Dijk was een muzikaal veelzijdig
ontwikkeld man. Hij studeerde orgel bij de bekende organist Hendrik
Kruithof en later bij Johan Vetter te Groningen. Hiernaast kreeg hij
vioolles van de violist J.W. Zwolle, de organist van de Doopsgezinde Kerk,
en studeerde hij voor klokkenist bij Joh.W. Meyll, beiaardier te Nijkerk.
Hij trouwde op 21 december 1933 met Hermiena Riesebos (1907- 1970).
Evenals hij was ook zij van Kampense origine. Tevens oefenden zij beiden
hetzelfde beroep uit, dat van manufacturier. In 1936 werd Van Dijk
organist van de Gereformeerde Nieuwe Kerk, in 1944 van de Gereformeerde
Westerkerk. In 1939 werd hij benoemd tot stadsbeiaardier van Kampen. In
1940 adviseerde hij de Gereformeerde kerk te lJsselmuiden bij de aankoop
van het orgel uit de Waalse kerk in Groningen. Organist van de Bovenkerk
bleef hij stechts kort. Hij overleed op 3 augustus 1951, nog maar 45 jaar
oud. |
Terug
naar overzicht |
| Gradus Wendt (1951-1954) |
| Gerhardus
Christiaan
Wendt werd op 10 September 1914 geboren te Hattem. Hij genoot zijn
opleiding bij Feike Asma. Vóór zijn benoeming in 1951 te Kampen was hij
organist in Hattem en Zwolle (Oosterkerk). Hij had zodoende een reputatie
in de regio opgebouwd. Bij zijn benoeming speelde waarschijnlijk ook een
rol dat zijn leermeester Feike Asma in Kampen bekend was, omdat hij
regelmatig in Kampen concerteerde. In 1954 emigreerde Wendt naar
Zuid-Afrika. Wendt overleed in 1996. |
Terug
naar overzicht |
| Willem
Hendrik Zwart (1954 tot 1995) |
| W.H.
Zwart werd 26 mei 1925 geboren te Zaandam, als zoon van Jan Zwart en
Catharina Zwart. Zijn vader, Jan Zwart (1877-1937), was van 1898 tot zijn
overlijden in 1937, organist van de Hersteld Evangelisch Lutherse Kerk te
Amsterdam. Daarnaast was hij een bekend auteur en componist van
geestelijke muziek. Als organist kreeg hij grote bekendheid, mede door
zijn wekelijkse orgelbespelingen voor de N.C.R.V-microfoon. W.H. Zwart
kreeg les van Simon C. Jansen, George Stam, Willem Mudde en Herman
Strategier. Vóór zijn benoeming te Kampen was hij organist van de
Hervormde Kerk te Coevorden (1945-1954) en voor korte tijd van de
Sionskerk te Groningen. in Kampen werd hij bekend door de
donderdagavond-orgelbespelingen en zaterdagmiddag-orgelbespelingen met
bezoek aan de klavieren van het historische Hinsz-orgel. Hij is, behalve
als organist en muziekdocent ook bekend als concertgever in binnen- en
buitenland en als orgeladviseur, dirigent, componist en auteur. Op 14 april
1992 ontving hij uit handen van H.C. Kleemans, burgemeester van Kampen, de
erepenning in goud van de stad Kampen. Op 29 april 1993 werd hij geridderd
in de Orde van Oranje-Nassau. Door zijn arbeid kreeg Kampen bekendheid als
orgelstad. W.H. Zwart trad op 13 maart 1956 in het huwelijk met Johanna
Margaretha Hofland. Willem Hendriks zoon Everhard, geboren op 5 augustus
1958 te Emmen, koos evenals zijn vader een muzikale loopbaan. Na een
opleiding aan de conservatoria te Utrecht en Rotterdam is hij nu organist
en koorleider te Capelle aan de IJssel. Zijn anderhalf jaar oudere broer
Jan Quintus (geboren op 20 februari 1957 in Emmen) voert het muzieklabel
JQZ Muziekproducties Kampen en is eveneens koorleider. W. H. Zwart
overleed in 1997. |
Terug
naar overzicht |
| Ab Weegenaar (1995 tot heden) |
Ab Weegenaar (1953) studeerde fagot
aan het Stedelijk Conservatorium in Groningen. In 1974 sloot hij
deze studie af met een onderscheiding voor solospel. Aan hetzelfde
conservatorium studeerde hij ook orgel en rondde deze studie af in
1980 als leerling van Wim van Beek. Bij Kees van Eersel volgde hij
lessen in het kerkelijk orgelspel en verkreeg te Utrecht zijn
eerstegraads bevoegdheid als kerkmusicus. Als koorleider studeerde
hij af aan de Hogeschool IDE te Gorinchem Als organist oriënteerde
hij zich bij Stef Tuinstra, Charles de Wolff en Theo Jellema.
Als fagottist was Ab Weegenaar werkzaam bij
het voormalig Noordelijk Filharmonisch Orkest, het Residentie Orkest
en als solo-fagottist bij Het Gelders Orkest. Vanwege tijdgebrek
heeft hij deze werkzaamheden beëindigd.
Als cantor-organist was hij o.a. verbonden aan kerken te
Zeerijp, Groningen, Eelde, Leidschendam, Arnhem en de Grote Kerk van
Wageningen. Medio 1995 volgde de aanstelling als hoofdorganist van
de Bovenkerk te Kampen. In die functie is hij bespeler van het Hinsz-hoofdorgel en van het Reil-koororgel. Verder is hij als koorleider
actief bij een drietal koren en heeft een omvangrijke (privé)
orgellespraktijk.
Er zijn veel CD’s van hem verschenen, vooral vanuit de Bovenkerk.
Samen met Klaas Jan Mulder nam hij een tweetal CD’s op waarop hij
als fagottist is te horen. Hij werkte ook mee aan radio- en
televisieuitzendingen maar is ook te beluisteren én te zien op
twee DVD’s die zijn opgenomen met nog vier collegae op de orgels van
de Bovenkerk. Op jaarbasis geeft Ab Weegenaar vele concerten in
Nederland maar ook daar buiten. Zo maakte hij in 2005 een concertreis
naar het verre Siberië (Rusland). Kijk voor meer informatie op zijn
website: www.abweegenaar.nl. |
Terug
naar overzicht |
|
- Uit 'Orgels en organisten in Kampen' -
W.D. van der Kleij en W.H. Zwart (1995). Met toestemming van
uitgeverij IJsselacademie uit Kampen overgenomen. Het boek
is nog te koop o.a. via hun website: www.ijsselacademie.nl.
|